Geleen
In de Jonge Steentijd waarin het merendeel van de nog schaarse bevolking een
zwervend jagersbestaan leidde, vond ruim 5.300 jaar voor Christus een groep
mensen die van akkerbouw en veeteelt leefden, deze plek de meest geschikte woonplaats.
Die eerste boeren van Nederland, bandkeramiekers genoemd naar de versiering
op hun aardewerk, woonden in kleine nederzettingen bestaande uit vijf tot vijftien
vrij grote huizen met in totaal zo’n 50 tot 150 bewoners.
Hun
woningen lagen op de lössgronden nabij de (Geleen)beek. Hier hadden ze
hun noodzakelijke basisvoorzieningen, water en vruchtbare grond, voorhanden.
Na zo’n 400 jaar hebben deze eerste landbouwers onze regio verlaten.
Ook andere beschavingen, zoals de Romeinse, hebben hun sporen in Geleen nagelaten.
In augustus 1882 is op de binnenplaats van de brouwerij De Kroon aan de Marcellienstraat
een 2.000 kilo wegende zandstenen doodkist
met Romeinse voorwerpen gevonden. Historici zien hierin een aanwijzing dat in
Geleen een Romeinse villa heeft gelegen. In zo’n villa, een complex van
gebouwen en grote landerijen, werden op grote schaal graan en andere landbouwproducten
verbouwd voor de legers die de grenzen van het Romeinse rijk bewaakten, en voor
de bevolking in de grotere steden. Na de instorting van het rijk (omstreeks
400) gingen de boeren weer produceren voor eigen gebruik en de locale markt.
In 1257 was het kerspel Geleen in handen van de machtigste heren van onze regio,
de
Valkenburgers.
In een tijd van schaalvergroting wist Valkenburg zich echter niet te handhaven
tegen de oprukkende grootmachten Gulik, Gelre, Brabant en Luik. In de 14de eeuw
viel Valkenburg uiteen. Geleen kwam terecht bij de hertog van Brabant als onderdeel
van de Landen van Overmaas. De landen van Overmaas gingen vanaf 1430 deel uit
maken van het Bourgondische-Habsburgse rijk. Toen Filips II, koning van Spanje
en heer der Nederlanden, in financiële nood zat ging hij over tot het verpanden
van delen van zijn landen. In 1558 verleende hij het gebied, bestaande uit Geleen,
Spaubeek en het kasteel Sint-Jansgeleen de status van heerlijkheid en verpande
het tegen 3050 Vlaamse ponden aan Arnold II Huyn. Geleen kreeg zo zijn eigen
locale heer met het recht van lage en hoge rechtspraak in de nieuwe heerlijkheid.
De eerste heren oefenden nog persoonlijk het dagelijks bestuur uit, maar hun
opvolgers lieten dit over aan de door hen aangestelde schout, schepenen en secretaris.
Onvrede over het vanuit Spanje gevoerde beleid van Filips II leidde tot de Nederlandse
opstand o.l.v. de protestantse Oranjes. In de vaderlandse geschiedenis staat
de opstand bekend als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). In deze strijd kozen
de Huyns de kant van de katholieke koning van Spanje. Arnold II Huyn, heer van
Geleen, was onder koning Philips II gouverneur en kapitein-generaal van de Landen
van Overmaas. Zijn zoon Arnold III Huyn, evenals zijn vader heer van Geleen,
trad ook in dienst van de Spaanse koning. Een kleinzoon was veldmaarschalk,
Godfried Huyn, die wegens zijn grote verdiensten voor de Keizer en de Katholieke
Liga op 5 juli 1640 in de gravenstand werd verheven. In zijn voetsporen ontving
Arnold V Wolfgang Huyn, heer van Geleen van (1620-1668), ook deze rang. Op 16
mei 1654 werd de heerlijkheid Geleen door de Koning van Spanje, Filips IV, tot
graafschap verheven. Bijgevolg mocht Arnold V Wolfgang Huyn vanwege zijn verdiensten
voor de Habsburgse dynastie en de verdiensten van zijn voorouders zich voortaan
Graaf van Geleen noemen. Het graafschap Geleen omvatte vanaf 1664 behalve de
voormalige heerlijkheid Geleen, ook de heerlijkheid Oirsbeek, inclusief de plaatsen
Amstenrade, Merkelbeek en Bingelrade en de heerlijkheid Brunssum inclusief Jabeek
en Schinveld.
De afwikkeling van de Vrede van Munster, die in 1648 een einde maakte aan de
Tachtigjarige Oorlog, vond in deze regionen pas plaats met de sluiting van het
partage-tractaat in 1661-1663, dat de verdeling van de Landen van Overmaas regelde.
Geleen kwam, evenals de Zuidelijke Nederlanden, onder Spaans-Habsburgs gezag.
Als lokale heer werden de Huyns in 1669 opgevolgd door de Van Salms. Na de Spaanse
opvolgingsoorlog en het daaruit voortvloeiende barriere tractaat (1715) gingen
de Zuidelijke Nederlanden en de Spaanse Landen van Overmaas, en dus ook Geleen
over in Oostenrijks-Habsburgse handen. Het nu onder Oostenrijks gezag vallend
graafschap kreeg in 1735
weer
een nieuwe lokale heer, de prinsen Van Ligne. In 1779 kocht een gefortuneerde
Luikse zakenman, Willems, het graafschap. Hij liet het in1788 na aan zijn nichtje
die met de graaf Marchant d’Ansembourg was getrouwd. Met de komst van
de van Franse revolutionaire legers in 1794 vluchtte het gezin en werd het graafschap
Geleen opgeheven. Jean-Baptiste graaf Marchant d’Ansembourg was de laatste
bezitter van het graafschap.
In 1795 werd Geleen ingedeeld bij het departement van de Nedermaas en bij de
Franse Republiek ingelijfd. Tijdens de eerste jaren van het Franse bewind viel
Geleen op lokaal niveau onder het kanton Oirsbeek. In 1800 verloren de kantons
hun bestuurlijke taak en kwam het laagste bestuursniveau bij de afzonderlijke
gemeenten.
Na de Franse tijd maakte de gemeente Geleen in de jaren 1815-1830 deel uit van
Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (Nederland en België), van 1830-1839
van België en vanaf 1839 van het huidige Koninkrijk der Nederlanden.
Hoe de bewoners van Geleen de vele politiek-bestuurlijke ontwikkelingen ervaren
hebben is niet na te gaan
maar duidelijk is dat die veranderingen weinig gelegenheid boden tot het ontstaan
van een nationaal gevoel. In de regio was vooral sprake van een sterke binding
met de geboortegrond. De onderstaande karakterschetsen die Obbichtse schrijver
Pieter Ecrevisse van Geleen en haar bewoners in het midden van de 19de eeuw
gaf, zal bij de Geleendenaren beslist in goede aarde zijn gevallen.
‘De luchtgesteltenis is er (in Geleen) bovenmate gezond en brengt niet
weinig bij om van de bevolking dezer gemeente een der sterkste en behendigste
te maken, welke in Europa gevonden worden. Daarbij komt nog dat de zeden er
aartsvaderlijk zijn gebleven en de krachten geoefend en onderhouden worden door
allerlei lichaamsoefeningen.- De huizen worden er, zowel buiten als binnen,
zindelijk onderhouden.’
‘De Geleendenaren staan wijd en breed bekend, als muntende uit door heldenmoed,
ruwe krachten en zuivere zeden. Gelukkige bevolking, van wie men hetzelfde kan
zeggen in onze bedorven tijd’
Rond de tijd dat Ecrevisse deze typering op papier zette telde de gemeente,
met de kernen Op-Geleen, Lutterade, Krawinkel, Spaans-Neerbeek en Daniken, maar
433 huizen. De 2.114 inwoners, allen katholiek, vonden in 1843, net als in de
Romeinse tijd, bijna allemaal hun bestaan in de landbouw. Deze economische activiteit
zou de Geleense samenleving domineren tot de jaren twintig van de twintigste
eeuw.
Een andere schrijver uit de regio, de Sittardenaar Felix Rutten, verwoordde
in 1917 op dichterlijke wijze de komende veranderingen: ‘Van den heuvel
waar Sweykhuizen rust heeft men vergezichten naar alle zijden, wuift voor uw
voeten, deinend in eeuwige golving, het veel versneden, wemelende, heerlijke
veld. De vruchtbare vlakte tusschen Geleen en Sittard, en tusschen Geleen en
Beek, zal heel wat veranderingen ondergaan. Wanneer de (mijn) ‘Prins Maurits’
zijn zal, wat zij zich voorstelt te worden, dan zal ook hier het vredige veld
zijn groene tapijten oprollen’.
Een jaar eerder waren in Lutterade de eerste boortorens
verrezen, in 1923 werden de eerste 2.000 ton steenkolen naar bovengehaald en
op 1 januari 1926 ging de Staatsmijn Maurits officieel in bedrijf. De gemeente,
bestaande uit enkele kleine agrarische kernen, ontwikkelde zich in een dertigtal
jaren tot ‘de waereldsjtad’. Het karakter van de gemeente veranderde
drastisch.
Telde Geleen in 1899 nog maar 2.500 inwoners in 1920 waren dat er 4.500 geworden.
Weer
twintig jaar later was het aantal gegroeid tot 16.200 en in 1964 woonden 35.741
inwoners in ‘de waereldsjtad’. Door de vraag naar mijnwerkers kwamen
mensen van heinde en verre toegestroomd. Niet alleen uit de noordelijke provincies
van ons land maar ook uit het buitenland: Duitsers, Polen, Belgen, Italianen
en Oost-Europeanen uit de Balkan. Vele nieuwkomers vestigden zich in de wijk
Lindenheuvel. In 1919 werd begonnen met bouw van deze wijk aan de rand aan van
de gemeente. In 1925 telde Lindenheuvel 800 inwoners, drie jaar later ruim 4000
en in 1947 7.700. In het veld tussen de drie dorpen verrees in 1922 een nieuw
gemeentehuis. Geleen ‘implodeerde’: er kwam een nieuw compact centrum
tussen de drie oude kernen. In Krawinkel, Lutterade en Spaans Neerbeek werd
veel van de oude bebouwing aan de vernieuwingsdrift opgeofferd. Op-Geleen werd
Oud-Geleen, dat, liggend aan de rand van de gemeente, wel veel haar oude bebouwing
heeft behouden.
De Staatsmijn Maurits, met in de topjaren alleen al ondergronds een bezettingsgraad
van meer van 6.500 werknemers, drukte jarenlang zijn stempel op Geleense samenleving.
Behalve werkgelegenheid en welvaart schonk de mijn de stad o.a. het gerenommeerde
muziekkorps Maurits en de succesvolle voetbalclub Maurits. Geleen was in de
jaren vijftig en zestig het onbetwiste centrum
van de Westelijke Mijnstreek. Handel en middenstand bloeiden, gerenommeerd zaken
als Schunck, Albert Heijn en V&D openden hier al vroeg hun filialen. Ook
op sportief gebied trok Geleen in die jaren aller aandacht, met o.a. de spectaculaire
motorspeedway wedstrijden en de eerste betaalde voetbalclub van Nederland, Fortuna
’54.
Met de sluiting van de mijn in 1967 kwam langzaam maar zeker een einde aan de
bloeiperiode van Geleen. De uit de mijnindustrie
voortkomende chemiegigant DSM zorgde nog lange tijd voor een belangrijk deel
voor de werkgelegenheid. Deze echter meer en meer internationaal en niet zozeer
lokaal opererende onderneming drukt steeds minder zijn stempel op de stad.
Geleen werd een stad van festivals en festiviteiten: Pinkpop, Doe dag, straattheater,
bloemenmarkt en natuurlijk de grote kermis. Het stadscentrum kwam in een neergaande
spiraal, maar bij de bewoners bleef een sterke binding met de eigen buurt en
in wat minder mate met de stad als geheel.
De gemeentelijke herindeling van 1 januari 2001 waarbij de gemeenten Sittard,
Geleen en Born onder één lokaal bestuur kwamen leidde niet tot
een massaal protest zoals in 1928. Toen moest het voorspoedig groeiend Geleen
niets hebben van een samengaan met Sittard.
De in 2003, door de gemeente Sittard-Geleen, gestarte implementatie van het
door voormalig rijksbouwmeester Cees Rijnbout opgesteld centrumplan moet leiden
tot een vitalisering van het centrum van Geleen. De Rijksweg boulevard, nu in
aanleg, zal als een levensader beide stedelijke centra van Sittard-Geleen met
elkaar verbinden.
Belangrijke publicaties over de geschiedenis van Geleen:
Schrijnemakers M.J.H.A. e.a., Geleen van dorp tot Mauritsstad (Geleen 1952)
Diverse auteurs, Tijdschrift Heemkunde Geleen, (Geleen 1979 e.v.)
Schrijnemakers M.J.H.A., Geschiedenis van Geleen, deel I (Geleen 1998)
Schrijnemakers M.J.H.A., Geschiedenis van Geleen, deel II (Geleen 2005)
Divers auteurs, Gemeente Geleen (Geleen 2002)
Navraag naar andere publicaties over Geleen kunt u doen bij de studiezaalmedewerkers van het Stadsarchief.